U bevindt zich hier : EHBO-info > zoeken op thema > reanimatie volwassene > reanimatie
“Reanimatie” is het overnemen van de levensnoodzakelijke functies: ademhaling en hartwerking. Dit is een belangrijke techniek en vaardigheid voor iedere hulpverlener.
Zorg eerst voor de veiligheid van jezelf, het slachtoffer en de omgeving.
Een slachtoffer dat bewust is, ademt nog en heeft nog hartwerking. Iedere bewusteloze patiënt verkeert echter in levensgevaar: hij is immers de controle kwijt over tal van mechanismen en reacties. Deze patiënt beseft bijvoorbeeld niet meer dat zijn tong de luchtweg afsluit. Hij zal geen braaksel kunnen uitspuwen, hij zal zijn gezicht niet uit het water kunnen opheffen, enz...
Nadat
we onze veiligheid en die van het slachtoffer verzekerd hebben, controleren we
of het slachtoffer bewust is:
Schud zachtjes aan beide schouders.
Vraag luidop: "Is alles in orde?"
Indien het slachtoffer hierop niet reageert, noemen we het "bewusteloos".
Evenredig met de graad van bewusteloosheid, worden de spieren slapper. Zo ook de kaakspieren en de tongspier. Daardoor kan de tong in de keelholte zakken en zo de luchtweg afsluiten: het slachtoffer stikt in zijn tong.
Als het slachtoffer antwoordt of beweegt:
Laat het slachtoffer liggen zoals je het vindt (zo er geen gevaar dreigt).
Tracht te weten te komen wat er scheelt met het slachtoffer en roep zo nodig hulp in.
Controleer regelmatig opnieuw het bewustzijn.
Indien het slachtoffer niet reageert:
Vraag een andere persoon om in de buurt te blijven.
Draai het slachtoffer op de rug.
Bij een bewusteloos slachtoffer kan de tong in de keelholte zakken en zo de luchtweg afsluiten. Door het hoofd achterover te houden en de kin op te tillen, heffen we de tong omhoog zodat de luchtweg vrij komt.
Hoofd achterover kantelen
Plaats een hand op het voorhoofd en druk het hoofd zachtjes achterover.
Hou duim en wijsvinger vrij om bij mond-opmond-beademing de neus dicht te drukken.
Kin optillen
Plaats wijs- en middelvinger onder de kinpunt van het slachtoffer en til de kin op om de luchtweg te openen.
Dit is vaak voldoende om de ademhaling terug op gang te brengen.
|
|
|
Terwijl je de luchtweg openhoudt: kijk, luister en voel naar normale ademhaling.
Kijk naar beweging van de borstkas.
Luister aan de mond naar ademgeluiden.
Voel met je wang naar lucht die uitgeademd wordt.
|
|
|
Deze controle verrichten we in één handeling: houd je oor vlak boven het gezicht van het slachtoffer terwijl je het hoofd achterover gekanteld houdt en de kin optilt. Kijk naar de bewegingen van de borstkas. Zo kan je gelijktijdig kijken, luisteren en voelen. In de eerste minuten na een hartstilstand is het mogelijk dat het slachtoffer nog nauwelijks ademt of enkele keren luidruchtig naar adem hapt. Verwar deze situatie niet met normale ademhaling.
Kijk, luister en voel 5 tot 10 seconden alvorens je besluit dat de ademhaling normaal is. Als je twijfelt of er een normale ademhaling is, handel dan alsof de ademhaling niet normaal is.
Leg het slachtoffer in stabiele zijligging.
Stuur iemand om hulp of, als je alleen bent, laat het slachtoffer alleen en roep zelf hulp in.
Blijf de ademhaling controleren.
NB: Als het slachtoffer een mogelijk nek- of rugletsel heeft of grote breuken, dan leggen we het slachtoffer NIET in stabiele zijligging. In dit geval moet het slachtoffer zeker continu bewaakt worden. Als in deze situatie de luchtweg niet vrij blijft (bv. door bloed of braaksel) dan wordt ook dit slachtoffer in stabiele zijligging gelegd.
Start de reanimatie.
Laat
de hulpdiensten alarmeren of, indien je alleen bent:
laat het slachtoffer alleen en alarmeer de hulpdiensten,
keer terug naar het slachtoffer en start de reanimatie.
Start hartmassage.
Zorg dat het slachtoffer op de grond ligt (en niet op een zachte onderlaag).
Kniel naast het slachtoffer.
Ontbloot de borstkas.
Plaats de hiel van één hand op het midden van de borstkas van het slachtoffer.
Plaats de hiel van je andere hand boven op de eerste hand.
Sla de vingers van je handen in elkaar en druk niet op de buik of de ribben.
Plaats jezelf loodrecht boven de borstkas van het slachtoffer en leun met gestrekte armen voorover zodat het borstbeen 4 tot 5 cm diep ingedrukt wordt.
Richt jezelf op na iedere hartmassage zonder het contact tussen hand en borstkas te verliezen.
Herhaal deze compressies 30 maal aan een snelheid van ongeveer 100 maal per minuut. Hardop tellen kan van nut zijn om het ritme te behouden. Indrukken en loslaten duren even lang.
Combineer hartmassage met mond-op-mondbeademing
Open na 30 maal hartmassage de luchtweg opnieuw door het hoofd achterover te kantelen en de kin op te tillen.
Knijp het zachte deel van de neus dicht met de wijsvinger en duim van de hand die op het voorhoofd ligt.
Laat de mond van het slachtoffer lichtjes geopend maar blijf de kin optillen.
Adem normaal in en plaats je lippen rond de mond van het slachtoffer, waarbij je de mond goed afsluit.Vermijd luchtlekken.
Blaas rustig lucht in de mond van het slachtoffer terwijl je naar de beweging, van de borstkas kijkt. Het inblazen duurt ongeveer één seconde, zoals bij een normale ademhaling.
Houd het hoofd achterovergekanteld met de kin opgetild, neem je mond weg van het slachtoffer en kijk naar de borstkas zodat je die weer terug tot zijn normale positie ziet zakken bij de uitademing.
Adem nogmaals in en beadem het slachtoffer een tweede maal.
Blijf de combinatie hartmassage met mond-op-mondbeademing herhalen
Plaats je handen zonder tijdverlies op het midden van de borstkas.
Voer verder hartmassage en beademing uit in de verhouding 30:2.
De reanimatie wordt enkel onderbroken voor een nieuwe controle van de ademhaling, als je meent dat het slachtoffer terug normaal ademt. Anders onderbreek je de reanimatie niet.
Blijf reanimeren totdat:
Gespecialiseerde hulp overneemt.
Het slachtoffer tekens van leven vertoont.
Je uitgeput geraakt.
Een schematisch overzicht van de stappen vindt u hier.
© Het Vlaamse Kruis vzw